Aankondiging


22 Apr 2015

De Kerk in de Samenleving van Nu!




Opbouw:

  • 1.    Inleiding
  • 2.    Een Bijbelse rode draad
  • 3.    Enkele namen uit de geschiedenis
  • 4.    De samenleving
  • 5.    Presentie als wapen
  • 6.    Als de gemeente vleugels krijgt
     

1 - INLEIDING

In het kader van een cursus over protestantisme, georganiseerd door de vier Antwerpse dominees, mocht ik een avond geven over: De kerk in de samenleving van nu. Ter voorbereiding las ik enkele artikelen en boeken en zocht ik op internet naar informatie. Hieronder leest u uit welke artikels en boeken ik geciteerd heb.


De Kerk in de Samenleving van Nu!

Da’s niet zo gemakkelijk omdat de twee grootheden in deze zin “de kerk” en “de samenleving” al zoveel uitleg behoeven, dat één avond lang niet voldoende zou zijn. Boekenkasten vol zijn er over beide geschreven en er komen er nog elke dag bij. Ik wil daarom heel kort zeggen wat ik vanavond als “definitie” voor “kerk” en “samenleving” hanteren zal. Er blijft dan nog heel wat onhelder, maar ik kan mezelf beperken, en hoef niet de air van volledigheid op te houden. 

Kerk: is een beweging van gelovigen, die zich baseert op Bijbelse verhalen en vanuit die verhalen ook verantwoordelijkheid op zich neemt tov de wereld waarin zij leven. (Ik bedoel dus de kerk als beweging en niet de kerk als instituut, tenzij ik dat uitdrukkelijk vermeld.) Samenleving: is de wereld waarin wij (samen)leven, die wordt bepaald door structuren, die vooral de vrije markt dienen en daardoor uitsluiting en armoede laten voortbestaan. Een plek waar mensen samen leven, met alle verschillen die er zijn.

Ik ga het over liefde/solidariteit, over rechtvaardigheid en vrede hebben. En ik wil dat doen vanuit verschillende invalshoeken.

Een stukje Bijbel, een stukje geschiedenis, een stukje heden. Een visie waarvoor ik kies (zonder daarmee een oordeel uit te spreken over andere visies) en wat concrete voorbeelden, waarbij het vooral gaat over diaconale en missionaire handelingen.
Daartoe wil ik me beperken.


2 - EEN BIJBELSE RODE DRAAD

De basis van de Tora is de bevrijding van de dienstknechten uit het slavenhuis Egypte. 

Het perspectief is het beloofde land, bekeken vanuit het benauwdheidsland Egypte.  Van daaruit moet een ‘uitweg’ gevonden worden, in het Grieks gezegd, een ex-odos. Dus de Exodus, wèg van de grootmachten, door de woestijn, op weg naar het land van belofte, is het hoofdthema in de Bijbel. Wèg van de grootste betekent ook dat je niet hun mechanismen en wetten moet reproduceren, maar dat je andere wetten moet ontwerpen. Een wetsontwerp waar de kleinste, de minste, de zwakste, de onvruchtbare, de onschuldige, de vreemdeling echt aan bod komt. Kortom, waar het recht van de zwakste de boventoon voert en niét het recht van de sterkste.

De oudste Bijbelse rechtsregels op sociaaleconomisch terrein vinden we waarschijnlijk in Exodus 22, 24 – 26; een regel die volgt op die welke het uitbuiten van vreemdelingen, weduwen en wezen ten scherpste veroordeelt:

Exodus 22, 24Als je geld leent aan iemand van mijn volk die armoede lijdt, gedraag je dan niet als een geldschieter en vraag geen rente van hem. 25Als je iemands mantel als onderpand neemt, moet je die voor zonsondergang aan hem teruggeven, 26want hij heeft niets anders om zich mee toe te dekken. Waarmee moet hij zijn lichaam anders beschermen als hij gaat slapen? Als hij mij om hulp smeekt, zal ik naar hem luisteren, want ik ben een genadige God! (vertaling jongerenbijbel)

De Thora noemt eigenlijk “de liefde” de zin van het bestaan.  Wat zijn wij zonder liefde?

Huub Oosterhuis zegt: “Liefhebben is, in de zakelijke, ontnuchterende, realistische denktrant van de bijbel, dat je in de meest elementaire behoeften van de wees, de weduwe en de vreemdeling voorziet, dat je hem/haar ‘brood en kleding’ geeft.  Zoals ‘je
naaste liefhebben’ is: dat je hem zijn grond niet afpakt, en hem geen rente berekent, en hem eens in de zeven jaar al zijn schuld kwijtscheldt; dat je hem zijn loon uitbetaalt op de dag zelf, dat je je ontfermt over zijn verdwaalde schaapje als je dat tegenkomt.
Liefhebben is: omgaan met de arme, de dorstige, de vreemdeling als met je gelijke - omdat hij/zij is zoals jij.  En hoe je bent, en wat je nodig hebt om te leven, dat weet je toch.”

De vijf boeken van de Thora staan vol opdrachten, voorschriften en leefregels met betrekking tot de lange weg van “mens-wording”.

Zij houden de mensen een spiegel voor en leren hen (thora: ‘onderwijzing’) hoe mensen verantwoordelijkheid kunnen dragen jegens elkaar; wat ze daarvoor moeten doen en laten. Alle facetten van het menselijk bestaan komen daarbij aan de orde en worden in hun
samenhang belicht: politiek, economie, religie (overigens zonder dat woord te gebruiken), erotiek, lijden, ziekte en dood.
Veel prachtige, oogverblindende religie is een feilloos werkend instrument in de handen van onderdrukkende machten. Veel schitterende theologie dient niet de armgemaakten. Veel naar troost zoekende ecclesiologie heeft geen oog voor de nood van de wereld.  De profeten van het oude Israël hebben daarom alle religie onder de tucht geplaatst van een norm: recht doen van mens tot mens. Vgl.bv Hosea:  ‘Erbarmen verlang ik, geen offer’ (Hosea 6:6). Offers hoeven niet, mogen wel. Liturgie hoeft niet, mag wel. Maar erbarmen moet, ten allen tijde. Dat verlangt de God van Israël, die stem geeft aan weerloze, onderdrukte mensen, van de kerk.

In Jesaja 5 lezen we hoe de wijngaard wrange vruchten voortbrengt: er klinkt een zevenvoudig wee… Het eerste wee: Wee hun die huis aan huis voegen, akker aan akker trekken, totdat er geen plaats meer is…

De bijbelse sleutelwoorden zijn vrede en gerechtigheid, liefde - te verstaan als onderlinge solidariteit - en erbarmen. Zij vormen de kern van haar ‘spiritualiteit’. Godsdienst is, bijbels gesproken, eerst en vooral dienst aan mensen. In die zin is de bijbel helemaal geen religieus boek. Zij laat hoogstens ruimte voor religie als menselijk talent, zoals mooi kunnen zingen dat ook is.
Diaconaat is liefde doen.  Is de richting van de Thora volgen - is God zijn volle eer geven.  De eer van God - de volle zwaarte van zijn barmhartigheid en gerechtigheid - wordt recht gedaan door ons als wij liefde doen.  Teder vechten voor gerechtigheid - heel concreet, heel dichtbij.

De Thora doen, opkomen voor gerechtigheid: de liefde nuchter en zonder weerga moet die bedreven worden, de Thora doen is een profetische daad stellen.  Is de naaste dienen, die is als jij, is God de eer geven die Hem - en alleen maar Hem - toekomt. 

In het Nieuwe Testament is dat niet anders: diaconia was in de beginjaren eigenlijk een subversieve actie - een werkelijke profetische houding.  

In het begin was juist de dienst, de diaconia subversief, door plaats te maken voor verdrukten, slaven, vreemden was de gemeente-in-haar-wezen al tegendraads… Zij deed alles wat ‘het systeem’ niet deed!  

Diaconie in de Bijbelse zin volgt altijd minstens twee sporen: de (individuele) hulpverlening aan mensen nood, èn het aan het licht brengen van de (structurele) oorzaken van de nood.  Want diakonia  is gericht op de onthulling van onrecht.

Barmhartigheid en rechtvaardigheid zijn sterk aanwezig in onze christelijke traditie. “Iets doen voor anderen” behoort tot het wezen van de christelijke spiritualiteit. Ik noem het solidariteit.

Gevaar; door de secularisatie dreigen kerken terug te vallen op zichzelf. Daardoor kan ook (vaak als eerste) diaconie in de verdrukking komen. Dat is gevaarlijk voor het christendom: zij verliest daardoor haar wezen. Zonder naastenliefde (om dit ouderwetse woord nog es te gebruiken), vaart niemand wel en zeker het christendom niet.


3 - ENKELE NAMEN UIT DE GESCHIEDENIS

Rabbi Akiva: 

Geboren rond AD 50 was hij tot zijn veertigste levensjaar schaapherder. Zijn vrouw Rachel stimuleerde hem om naar school te gaan; 15 jaar later was hij de grootste geleerde van zijn tijd. Hij maakte een logische indeling van de wetten, zodat die beter van buiten konden worden geleerd. Bovendien vergrootte hij het aantal mogelijke betekenissen, doordat hij ervan overtuigd was dat elk woord, elke letter, elk leesteken van Thora en Misjna een betekenis had. Hij was een mysticus, die hartstochtelijk veel van God hield.  In AD 131 verbood keizer Hadrianus de besnijdenis, Joods onderwijs en het Sjema en gaf bovendien opdracht Jeruzalem te herbouwen als Aelia Capitolina, een heidense stad. De Joden kwamen in opstand onder aanvoering van Bar Kochba in wie velen, ook Rabbi Akiva, de Messias meenden te herkennen. Het kostte de Romeinen twee jaar om de opstand neer te slaan. Rabbi Akiva werd gevangengezet en dood gemarteld. Terwijl de ijzeren kammen het vlees van zijn lichaam rukten, straalde hij zo’n gelukzaligheid uit, dat het zijn beul opviel. Hij stierf met het Sjema op zijn lippen.

‘Waarom voedt uw God, die de God van de armen is, de armen niet?’ vraagt een Romein aan Rabbi Akiba. ‘Om ons aan de verdoemenis te laten ontkomen’, antwoordt Rabbi Akiba. Men kan niet sterker uitdrukken hoe onmogelijk het voor God is om de plichten en verantwoordelijkheden van de mens op zich te nemen. De persoonlijke verantwoordelijkheid die de ene mens tegenover de andere heeft, is zodanig dat God haar niet kan afschaffen.


Basilius van Caesarea
, ook Basilius de Grote (Grieks: 

Άγιος Βασίλειος ο Μέγας) en Vader van het Oosterse Monastieke Leven genoemd, (Caesarea in Cappadocië, ca. 330 – Caesarea, 1 januari 379) was een heilige en kerkvader.

Samen met zijn broer Gregorius van Nyssa en zijn beste vriend Gregorius van Nazianze vormde hij de kern van de Cappadocische Vaders. Basilius schreef onder andere een kloosterregel. Hij wordt samen met Gregorius van Nazianze herdacht op 2 januari in de Rooms-katholieke Kerk, Anglicaanse Kerk en Lutherse Kerk. Op 1 en 30 januari in de Orthodoxe Kerk. Op 15/16 januari in de Koptisch-orthodoxe Kerk en de Ethiopisch-orthodoxe Kerk en op 14 juni bij de traditionele rooms-katholieken, Episcopaalse Kerk en de Lutherse Kerk.

(Belgische touch:Enkele van zijn vermeende ruggenwervels worden bewaard als relikwie in Brugge, namelijk drie in de Sint-Salvatorskathedraal en één in de Sint-Basiliuskapel op de Burg (de Heilig Bloedbasiliek).

Tekst van Basil de Grote, bisschop van Caesarea (ca. 365): (hij als mysticus)
Als iemand kleren steelt van een ander noemen we hem een dief. Zouden we hem die de naakten kan kleden maar het niet doet niet dezelfde naam geven? Het brood in uw kast behoort aan de hongerige man; de jas die ongedragen in uw kleerkast hangt behoort aan de man die hem nodig heeft; de schoenen die staan de rotten in uw halkast behoren de man die er geen heeft; het geld dat u ophoopt behoort aan de armen.


Johannes Calvijn:

We kennen allemaal zijn naam. Ik zou zeggen dat hij voor onze protestantse kerken eigenlijk de grootste reformaticus is. Wij staan voor een groot stuk in zijn traditie.

Over de middeleeuwse kerk heen (waartegen hij en Luther zich zo verzetten), greep hij terug naar de vroegchristelijke kerk, die hij normatief achtte voor het kerk-zijn en die hij ten voorbeeld wilde stellen aan de kerk in zijn dagen. Zijn preken over Handelingen 4 – 6 maken duidelijk hoezeer hij oog had voor het sociale en het diaconale aspect van het gemeente-zijn. Verschillen in welvaart van mensen mogen nooit ertoe leiden dat de een zich baadt in weelde en de ander nauwelijks bestaansmogelijkheden heeft. Hij heeft de misstanden van de rijken, de tweedeling in onze samenleving (in onze wereld) ongehoord fel veroordeeld:

“Er zijn er die zo pervers zijn dat zij, indien mogelijk, graag de armen zouden beroven van licht, water, aarde en zonlicht. Zij zijn zelfs jaloers dat de armen van dezelfde lucht en zon genieten als zij. Indien mogelijk zouden zij hen graag beroven van alles wat zij gemeenschappelijk met hen hebben; zo wreed en vol onmenselijkheid zijn zij. Er bestaat geen twijfel over, dat dergelijke monsters niet waard zijn om tot de rang van mens gesteld en geacht te worden. Want zij zijn nog veel wreder en inhumaner dan wilde dieren.”

Het Genève van zijn tijd kende een grote instroom van vreemdelingen en vluchtelingen die voor de nodige sociale problemen zorgde. Men heeft berekend dat het hospitaal in de periode oktober 1538 – oktober 1539 hulp verleend heeft aan meer dan tienduizend arme vreemdelingen op doorreis en aan ongeveer zeshonderd plaatselijke armen regelmatig ondersteuning verleende. De naaste in nood was voor Calvijn en zijn gemeente dus geen hypothetisch geval, maar een concrete werkelijkheid.

De zorg voor de armen is een zaak die elk gemeentelid raakt. In zijn visie op de ambten onderscheidt Calvijn twee basisambten, dat van de herder en de diaken, die niet tot elkaar te herleiden zijn. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, hebben bij hem de andere ambten die hij noemt, zoals de ouderling en de leraar nooit de status gekregen van deze twee basisambten.


Emmanuel Levinas (1906 – 1995):

Onder de titel ‘Verantwoordelijkheid’ schreef de joodse filosoof Emmanuel Levinas: ‘In het feit dat de relatie tot het goddelijke via de relatie tot de mensen verloopt en met de sociale gerechtigheid samenvalt, ligt de hele geest van de joodse bijbel. Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort “geestelijke vriendschap”, maar een rechtvaardige economie, waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

Tegen de stroom van postmodern en neoliberaal ik-denken, heeft Levinas ons (reeds in de zestiger jaren, IK) geconfronteerd met de radicaliteit van de bijbelse ethiek, waarin niet ik het uitgangspunt ben, maar de andere mens, die mij aankijkt en een beroep op mij doet. Mensen, schrijft hij, zijn ‘uitverkoren elkaar te dienen’.


Dorothee Sölle (1929-2003):

Sölle was geraakt door God, en spreekt en schrijft veelvuldig over deze relatie. Tussen 1966 en 2003 zijn er veertig boeken van haar verschenen, en iedereen kent haar wel van de vele toespraken en lezingen die ze heeft gehouden.

Sölle roept weerstand op, is voor velen omstreden. In Duitsland kreeg ze een Berufsverbot (‘links en een vrouw, dat gaat te ver’) en dus week ze uit naar New York, waar haar wel een professoraat werd aangeboden. Jarenlang heeft ze afwisselend in Amerika en Duitsland geleefd. Ze maakte het zichzelf niet gemakkelijk en vaak kreeg ze het hard te verduren vanwege haar radicale standpunten.

Ze ging het conflict niet uit de weg. Ze heeft eronder geleden, maar het heeft haar niet gebroken.

Ik zie haar als een profeet. En niet ik alleen maar velen met mij. Daarom is zij nu de laatste (en meest recente) die ik hier aan het woord laat. Profeet word je niet, dat ben je. Of liever gezegd: je wordt (door anderen) tot profeet gemaakt. Wat maakt van iemand een profeet? Er zijn enkele kenmerken die alle profeten met elkaar gemeen hebben: ze voelen zich geraakt door God, en die geraaktheid dwingt hen tot spreken over wat hen is overkomen. Dat te pas en te onpas spreken waarover zij niet kunnen of mogen zwijgen, roept weerstand op, die nog wordt versterkt door de eigenschap van profeten dat zij de tijd waarin zij zich bevinden doorzien vanuit een toekomstig beeld daarvan. En dat zij in het hier en nu aanzetten proberen te vinden voor een ‘betere’ toekomst.

Met betrekking tot het kenmerk dat profeten ‘kijken vanuit Gods toekomst’ kan ik het best iets van Sölle zelf aanhalen. In een interview zei ze ooit: "Toen ik op een keer heel gedeprimeerd was, zei een vriend van me, een pacifist uit Nederland, iets heel moois tegen me: "De mensen in de Middeleeuwen die de kathedralen bouwden, hebben ze nooit in voltooide staat gezien. De bouw duurde vaak tweehonderd jaar of meer. Dan maakte de een of andere steenhouwer een prachtig roosvenster en dat was dan het enige dat hij zag, dat was zijn levenswerk. Maar de voltooide kathedralen kon hij nooit binnengaan. Toch stonden ze er op een dag." Dat heeft mij destijds veel geholpen. Het is goed te weten: ik bouw aan een kathedraal, en ik weet ook dat zij op een of ander moment gereed zal zijn. Net zoals de slavernij is afgeschaft, zal ook de oorlog worden afgeschaft; maar dat duurt langer dan de tijd die ik leef. Sinds die tijd vind ik dat we eigenlijk alleen goed kunnen leven als we ons zo in het leven verankeren dat we zijn verbonden met de mensen die na ons komen. Als we deze verbinding verbreken en ons beperken tot een leven in isolement, dan richten we onszelf ten gronde. Ik vond het belangrijk voor de doden van Hiroshima en Nagasaki de straat op te gaan. Zij gingen met ons mee, en dat wisten ook de machthebbers die merkten dat wij een onzichtbaar leger bij ons hadden. Wij waren niet alleen, wij waren ook met veel meer dan de bewapenaars, omdat die altijd de van hun leven beroofde doden van de oorlogen tegen zich hebben.’ 

Sölle leefde dus niet alleen in haar eigen tijd, maar verbond die uitdrukkelijk met verleden en toekomst.

Sölle was als jong meisje verbijsterd over wat er in de oorlog gebeurde. Haar  verbijstering gold niet eens zozeer de fanatieke nazi's. Hun houding was duidelijk en mensonterend. Maar veel meer was Sölle onthutst door de zogeheten ‘deutsche Christen’, nazi's die zeiden christenen te zijn, en door het feit dat slechts een kleine groep binnen de kerken zich verzette tegen het nazisme. Het grootste deel keek alleen maar toe, en zei achteraf niet te weten dat het allemaal zo erg was. Ze waren toeschouwers. Dat gegeven heeft een stempel op Sölles leven gedrukt. ‘Ik was daar erg door van slag: het feit dat er mensen zijn die simpelweg toekijken. We hebben nu allemaal zo'n kast in de kamer die ons tot toeschouwer opvoedt: het centrale probleem in onze wereld. Deze manier van toeschouwen is niet veel beter dan die van destijds.’

Dat inzicht is dan ook haar voornaamste drijfveer geworden. We mogen nooit alleen maar ‘toeschouwen’, nooit achterover leunen in zelfgenoegzaamheid, nooit ‘ons de luxe veroorloven te leven zonder hoop’. Apathie is de dood in de pot. Het gaat er Sölle niet om dat we ons laten verlammen door de veelheid van problemen, of ons schuldig en verantwoordelijk voelen voor alles. Het gaat haar erom dat we ons niet zodanig laten verlammen door de veelheid van problemen dat we daarom maar niets doen. Als christen, als kerk, móet je je mond opendoen. Zelfs als je de problemen niet kunt oplossen, kun je ze zichtbaar maken. Alleen al daarom kun je niet passief blijven toekijken.

Dat standpunt maakte van haar een hartstochtelijke, gedreven, vurige, strijdbare vrouw, die onophoudelijk aanzette tot het zoeken naar veranderingen. Want maatschappelijke veranderingen maken de verandering van mensen mogelijk. Als de maatschappelijke situatie van mensen verandert, geeft dat die mensen de mogelijkheid zélf te veranderen, opnieuw geboren te worden. Die maatschappelijke veranderingen gebeuren niet vanzelf, of niet door je te verschuilen achter God. Het zijn mensen die die veranderingen moeten willen en vervolgens moeten bewerkstelligen. Sölle stimuleert mensen als het ware om mede-schepper te zijn met God in een voortdurend scheppingsproces.


4 - KRITISCHE STEMMEN UIT DE SAMENLEVING


Arm zijn is van de wieg tot aan het graf de ervaring drinken er niet bij te horen.

Is er uitgegooid, uitgestoten of gewoon vergeten worden.
Is in de schaduw staan en hunkeren naar licht.
Is botsen - telkens weer - tegen muren van onbegrip en vooroordelen en tegen drempels die steeds opnieuw te hoog liggen.

Arm zijn is het koud hebben en nooit echt gezond zijn.
Is opgroeien met wantrouwen, het gevecht om waardering op voorhand al verloren hebben, en je schuldig voelen om je eigen onmacht.

Arm zijn is niemand hebben die je ziet, niemand die je hoort.
Arm ben je nooit uit jezelf. Je wordt armgemaakt door mensen en structuren.
(uit: Naam die zin is van ons Leven)

De Nederlandse socioloog en filosoof Harry Kunneman heeft het in onze samenleving over de dikke ikken….: “Waarvoor staat het dikke ik? Onmatigheid, nooit genoeg hebben, jezelf dik maken ten koste van anderen en een dikke huid hebben voor hun ellende. Het gaat erom bovenaan de apenrots te komen en daar krachtig op je borst te trommelen. Ben je niet sterk of slim genoeg? Jammer dan. Pech gehad. Het is deze mentaliteit waar ik me grote zorgen over maak, vooral omdat het dikke ik zich niet alleen manifesteert op individueel niveau.”

Harry Mulisch schreef veertig jaar geleden: ‘Het probleem van rijk en arm is doodeenvoudig. Wie zegt dat het gecompliceerd is, heeft het over de gecompliceerdheid van zijn eigen rijkdom’.
De rijken houden de armoede van de armen in stand.

Gerechtigheid zou het zijn, als de rijken de armen zouden optillen tot een menswaardig levensniveau. En dat zou in eerste plaats betekenen dat de rijken hun “schatten van deze aarde” loslaten. En dat zou in de tweede betekenen, dat er een omkering komt van alle structuren, die nu armen én rijken in de tang houden!

Dat kunnen de rijken. Dat kunnen ze leren. Dat kunnen wij leren.

Zolang er rijken zijn, zullen er armen zijn… Dat uitgangspunt maakt onze positie duidelijk. Armoedebestrijding is armoedebevrijding en tegelijkertijd rijkdomsbestrijding! Dat zal pas de rechtvaardige structuren brengen.

 

En u uit de kerk:

Om nog es terug te komen op Calvijn… zijn nazaten namen scherp stelling tegen de neoliberale globalisering en proclameerden in belijdende termen de strijdigheid hiervan met het christelijk geloof. Dit gebeurde op de conferentie van de World Alliance of Reformed Churches (die nu niet meer bestaat, maar samengesmolten is met andere nazaten tot World Community of Reformed Churches) in Accra in 2004.


5 - PRESENTIE ALS WAPEN


In deze stad in het PSC en op vele andere plaatsen proberen wij present te zijn (vanuit de kerken). Present in het leven van andere mensen. Dat is onze manier van doen. We trekken op met mensen, juist met hen die nergens bij horen, die al nooit ergens bij hoorden… We nodigen hen ook uit voor onze groepen waarin “armgemaakte en armgeraakte” mensen samenwerken om tot kracht te komen.

Op deze manier gaan wij dus de individualisering te lijf en proberen mensen – in alle persoonlijke vrijheid – te betrekken bij een netwerk, een collectief….
Als zodanig werkt presentie als een wapen in de strijd tegen de tendens om “vergeten mensen op vergeten plekken” te laten rotten…

 

Kenmerken van presentie zijn bv:

1 - Vrij zijn voor… : er is een open agenda.

2 - Openstaan voor… : de presentie-beoefenaar staat open voor de ander.

3 - Een aandachtige betrekking aangaan: alledaagse bezigheden worden met de grootste aandacht gedaan. Door deze concentratie worden dingen ontdekt waar in een gewone betrekking overheen gekeken zou worden.

4 - Aansluiten bij het bestaande: de ander bepaalt de agenda en de presentie-beoefenaar heeft niet de pretentie te weten hoe het eigenlijk zit, maar gebruikt erkenning en bevestiging.

5 - Perspectiefwisseling: de presentie-beoefenaar leert de wereld te zien vanuit het perspectief van de ander.

6 - Wederkerigheid: de presentie-beoefenaar biedt vooral zichzelf aan door deel uit te gaan maken van het sociale netwerk van de ander, daardoor ontstaat een wisselwerking/wederkerigheid in de relatie (je gaat op een “vriendachtige” manier met elkaar om.

7 - Geduld en tijd: er wordt ongehaast met de tijd omgegaan.

8 - De trouwe toeleg: dit werkt troostend en hierdoor merkt de ander de betrouwbaarheid van de presentie-beoefenaar.

 

Ik denk hoe Maria mij present laat zijn in haar leven en hoe zij mij steeds meer deelgenoot laat worden. Ik maak tijd voor haar. Zij kan mij haar verhaal rustig en in stukjes en beetjes vertellen. Zij lokt mij uit mijn tent, en verbiedt het mij om meteen naar oplossingen te zoeken… Het belangrijkste is de tijd. De aandacht. Ik denk eraan hoe zij met haar vier kinderen en haar man uit China moet leven van een hongerloontje.  Het ene gat met het andere gat moet dichten.  De kinderen soms niet naar school kan laten gaan, omdat er geen geld is voor een tramkaartje.  Zelfs niet voor het OCMW-kaartje van 1€.  Om over een abonnement op dat moment maar helemaal te zwijgen.  Lenen van haar moeder, die zich daarmee een dikke vinger in de pap koopt en zich te pas en te onpas met de opvoeding van de kinderen bemoeit.  Die haar steeds maar blijft verwijten, dat ze is gescheiden van de vader van haar kinderen en daarna is getrouwd met zo’n vreemdeling.  Het racisme waarmee ze sinds haar tweede huwelijk wordt geconfronteerd - dagdagelijks - en waarvan ze niet eens en vermoeden had, dat het bestond.  De pijn van haar echtgenoot, een afgestudeerde technisch ingenieur, die hier op de VDAB wordt bekeken van: daar heb je hem weer....  Soms wil hij het maar opgeven om van haar en de kinderen te houden, zodat hij kan terugkeren naar zijn land.  Daar is het ook niet alles, maar hij wordt in ieder geval aangezien als een mens.  Een mens met capaciteiten, met gevoelens, met een gezicht...  

Haar dop als gezinshoofd maakt hem soms razend: hij is afhankelijk van haar, terwijl hij toch voor haar hoort te zorgen.  Ze is blij dat de Kinderbijslag uiteindelijk weer in orde is gekomen, want door een aantal veranderingen: een nieuw adres, geen werk meer, enz.  was ze ook daar het zicht op kwijt geraakt.

Maria is een armgemaakte mens.  De omstandigheden en de structuren hebben haar en haar gezin tot uitgeslotenen gemaakt.  Ze gaan eronder gebukt. Ik probeer het daarbij uit te houden en haar zo nabij te zijn.


Dit soort present-zijn is uitgewerkt in een theorie.. (Andries Baart)  Wij gaan niet zozeer uit van die theorie, maar herkennen deze in ons dagelijks werk. Deze theorie, of deze methode past ook goed bij onze basisfilosofie: 

• culturele (tegen)beweging - met een kenmerkende kritiek op de macht en op in zichzelf gekeerde institutionele overlevingsdrift.

• (wijsgerige of theologische) antropologie met noties als ‘menselijke waardigheid’ en het belang om sociaal opgenomen te zijn

• specifieke uitleg van maatschappelijke problemen, namelijk gezien vanuit de slachtoffers en degenen die eronder lijden, benoemd als het participatief-experiëntiële discours 

• de radicale toewending naar het lijden en de wil het daarbij uit te houden 

• volgehouden poging om zo nauwgezet mogelijk aan te sluiten bij de leefwereld van de ander als ander.

We bewegen ons naar de ander toe, proberen ons aan te sluiten bij hun leefwereld, hebben een open agenda en proberen trouw te blijven ook als die ander zo gek wordt, dat we hem niet meer herkennen.  En in dit alles gaat het vooral om wederkerigheid. In deze buurt hebben we immers elkaar nodig!


6 - DE KERK KRIJGT VLEUGELS OF TE WEL ... HOOP DIE VLEUGELS KRIJGT


Ik geloof dat het grote verhaal van de bevrijding en de opstanding nog op geen enkele wijze aan kracht en waarheid heeft ingeboet.  De ervaringen in de stad doen mij dagelijks beseffen dat de strijd voor een open, goede samenleving, voor een gerechte politiek, waarin armgemaakten tot het verleden behoren op alle vlakken gestreden  moet blijven..   Ik geloof ook dat God onszelf daarin sturen en steunen wil. Daarom hoort bij deze strijd ook de spiritualiteit.  En het gebed.  Om het vol te houden.  Om er de lol van te blijven inzien.  Om de moed niet te verliezen.

We hebben spiritualiteit nodig om deze strijd voor het leven vol te houden , om te blijven geloven dat gerechtigheid zal overwinnen, en om het risico te durven nemen dat “harmonie” ineenstort. 

Spiritualiteit als bevrijding zal helpen om heel realistisch te worden, en de analyse ook af te maken.  Het helpt om erachter te komen dat de gelijkheid van mensen slechts een illusie is: mensen zijn niet gelijk, integendeel er is een totale ongelijkheid in kansen en mogelijkheden, en deze ongelijkheid wordt structureel van generatie op generatie bevestigd.  Deze illusie zal pas iets van zijn zwaarte inboeten als er structureel mogelijkheden komen, waarin “armgemaakte mensen” privileges krijgen.  Waarin mensen kunnen opstaan. Empowered en geëmancipeerd, strijdbaar – opstandig…!  Samenwerkend aan nieuwe structuren, aan een wereld omgekeerd. Als we een nieuwe samenleving willen, dan moeten er (nu al) kleine “eilandjes van hoop” gebouwd worden.  Plekken, waar iets kan beleefd worden van bevrijding en hoop. Daar kan onze kerk dienstbaar in zijn!


Ik sluit af met een gedicht van Dorothee Sölle:
 

De langste adem (D.Sölle)

 

Misschien hebben wij het ons

te eenvoudig voorgesteld

toen we destijds vertrokken

voor de lange tocht door de woestijn

om betere methoden te vonden

voor het leven met elkaar.

 

We dachten: “O, Heer, maak ons

tot werktuig van uw vrede”.

Maar toen kwam de moeizame strijd

met de autoriteiten die orde wensten en geen vrede,

het dagelijkse zwoegen om kleinigheden,

het ontzettend alleen gelaten worden.

 

Wij hebben de langste adem.

Wij hebben de betere toekomst nodig.

Bij ons horen slachtoffers met ergere pijn,

de slachtoffers van het kapitaal.

Bij ons heeft al eens iemand brood verdeeld

dat voldoende was voor allen.

 

Wij hebben de langste adem.

Wij bouwen de menselijke stad.

Onze bondgenoten zijn

mensen zonder rechten in instellingen,

mensen zonder land in steden

vluchtelingen zonder plaats in Europa

armgemaakten zonder kansen in onze stad.

Bij ons horen de doden van de Tweede Wereldoorlog

en alle oorlogen daarna

die eindelijk gerechtigheid te eten willen hebben.

Bij ons is al eens iemand

opgestaan uit de doden.

 

 

ds. Ina Koeman, 19 maart 2015

 

Met dank aan:

Andries Baart: Een theorie van de presentie 

Herman Noordegraaf: De diaconale C-factor

Huub Oosterhuis: Red hen die geen verweer hebben

Monique Wolf: Artikel bij het sterven van Dorothee Sölle