Aankondiging


28 Dec 2013

Het hoeft niet dat er armen zijn onder ons!




      Ik wil mijn hoop niet delen met de armen, 
      maar eerder de hoop van de armen delen.
      Dom Hélder Camara

De Bijbel is er klaar en duidelijk over: het hoéft niet dat er armen zijn onder U… In de Torah, de vijf boeken van Mozes, klinken deze woorden tussen alle regels door. En ook in de rest van de Bijbel, zien we het telkens terugkomen. Het hoéft niet… en toch gebeurt het. Omdat de mensen zich niet aangesproken voelen door deze Bijbel, waarin de woorden staan die de God-van-de-Bevrijding ons geeft om gelukkig en rechtvaardig te leven.

Een maatschappij die de principes van de Tora niet naleeft, maakt armen. Die zorgt ervoor dat er mensen zijn die minder hebben, en soms niets, en dat er mensen zijn die meer bezitten, soms heel veel. Zij die meer bezitten, hebben er belang bij om dat 'meer' structureel te bewaren. Zij maken wetten, structuren, economische systemen die hun rijkdom gaan beschermen.

De wetten, beter gezegd de richtlijnen, van God zijn woorden die de armgemaakte mensen in het midden zetten. Meer nog, die uitgaan van hun positie in de samenleving. Een beetje anders gezegd: zolang er nog armen zijn in ons midden en in de wereld, hebben wij de woorden van God nog niet echt geleefd! In het boek Deuteronomium, de tweede wet, worden de leefregels voor een rechtvaardige maatschappij met gelukkige mensen, nog es heel duidelijk herhaald. Het wordt ons ingeprent. En de profeten grijpen telkens terug op die leefregels, die richtlijnen. En zo kennen we Jezus ook uit de verhalen in het Nieuwe Testament.

In Deuteronomium 24 lezen we bv.: 17 U moet de rechten van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. 18 Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen. 19 Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. 20 En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 21 En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 22 Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.

Moeten we nu concluderen dat enkel de randjes voor de armen zijn? Dat zouden we wel willen. Dan kunnen we elkaar over onze goeddoenerij vertellen, over voedselbanken en sociale kruideniers, over Welzijnszorg en Broederlijk Delen en pronken met ons sociale zekerheidsstelsel. En dan kunnen we weer allemaal op onze twee oren slapen: we vinden dat de armen het in ons deel van de wereld toch nog niet al te slecht hebben getroffen. (Natuurlijk moeten we elkaar daarover vertellen, want delen en oog hebben voor de kwetsbaren is al meer dan daar helemaal geen rekening mee houden. Dan zijn we helemaal van god-los!)

De Bijbel is echter radicaler dan elk van ons. Da’s moeilijk. Da’s irritant. Maar ’t is zo. De vreemdeling, de wees en de weduwe kunnen niet voorzien in hun eigen onderhoud, dat was zo in die dagen. Het ligt dus voor de hand: zij zijn afhankelijk van onze liefdadigheid. Maar precies die conclusie wil de tekst uit Deuteronomium niet trekken. Daar gaat het over rechten. Ze hebben recht op ons, op leven, en dat recht zullen wij niet buigen. Met vrijgevigheid heeft dit recht niets te maken. Het is geen gunst, waar ze op mogen rekenen, het is een recht. En dat wordt nog maar es gemotiveerd met het terugkerende thema: Gij zijt een slaaf geweest in het Angstenland Egypte, en de Heer, uw God, heeft U daaruit bevrijd. Dààrom zult ge dit doen. De Bijbelse wet laat ons geen keuze. Het is gelukkig samenleven of niet leven. Dood zijn: dodelijk eenzaam, dodelijk ongelukkig, dodelijk ellendig. Ziet onze maatschappij er niet zo uit?